Over de muziek

 

Componist Steven Kamperman vertelt over zijn opera Hildegard.

Gregoriaans

‘De middeleeuwse gregoriaanse muziek zou je de kraamkamer van onze westerse muziek kunnen noemen: melodie in zijn meest pure vorm, ontdaan van knellende harmonieën of maatstructuren. Het zijn klanken die ook bij mij persoonlijk diep geworteld zijn, omdat mijn vader in mijn vroegste jeugd wekelijks in een gregoriaans koor zong in de kerk. Is het deze achtergrond die mij een langdurige voorkeur voor modale muziek heeft opgeleverd, zo kenmerkend voor de jazz van mensen als John Coltrane en Miles Davis en de Turkse muziek waar ik mij lang in heb verdiept?’

Hildegard

‘De laatste jaren ben ik me weer meer gaan verdiepen in oude Europese muziek; waarbij ik als vanzelf ook weer bij het gregoriaans en de prachtige eigenzinnige muziek van Hildegard van Bingen terechtkwam. Daarbij werd ik niet alleen gegrepen door haar muziek maar ook door haar persoonlijkheid: een vulkaan van creativiteit gekoppeld aan een rotsvaste wil. Onwillekeurig deed ze me aan mijn eigen – inmiddels overleden - excentrieke moeder denken, iemand die ook volledig haar eigen weg durfde te gaan, en zich in de jaren tachtig voor het vrouwenwerk inzette. Naast een dosis feminisme gaf mijn moeder mij altijd haar vertrouwen dat ik moest doen waar ik van droomde, en dat is bepalend geweest voor mijn verdere carrière. Deze opera is daarom opgedragen aan haar, en met haar aan alle eigenzinnige mensen op deze aarde!’

Opera en Ordo virtutum

‘Ik wilde in dit werk een combinatie maken van Hildegards muziek en Hildegards levensverhaal, in de vorm van een opera die enerzijds uit haar eigen muziektheaterwerk de Ordo Virtutum bestaat, en anderzijds uit een opera van nu, als mijn antwoord erop. De opera begint met Hildegard in zijn pure vorm: haar fragmenten die in de eerste helft van de opera te horen zijn, heb ik niet bewerkt. In mijn muziek ga ik vervolgens in op sleutelmotieven uit haar werk. Later in de opera kleur ik Hildegards fragmenten met begeleidingen, waardoor haar passages steeds meer met mijn muziek verweven raken.’

Melodie

‘Mijn uitgangspunt was om te kijken in hoeverre Hildegards gregoriaanse muziek de springplank voor eigentijdse muziek zou kunnen zijn, met behoud van het melodische karakter ervan. Ik wilde bij uitstek geen puur abstract contrast leveren, maar een moderne melodieuze pendant. Daarbij ben ik vaak van de oorspronkelijke modi (gregoriaanse toonladders) uitgegaan en heb ik vervolgens gekeken of ik er eigentijdsere klanken in kon vinden. Bijvoorbeeld door het gebruik van clusters: alsof je een aantal witte toetsen op een piano tegelijk aanslaat. Bij de phrygische modus - zeer veel gebruikt in de Ordo - levert dat soms een flamenco-achtige klank op, die toevallig ook heel goed aansluit bij Hildegards intense personage! Maar ik heb ook juist contrasterend toonmateriaal gebruikt. Bijvoorbeeld in passages met symmetrische modi van de Franse 20e-eeuwse mystieke componist Olivier Messiaen. En als de strenge abt gregoriaanse modi zingt, wordt hij vaak begeleid door een dwingende twaalftoonsreeks. Dit grensgebied tussen modaal en anti-modaal interesseert me zeer!’

Vormen en ontwikkeling

‘Naast de verschillende melodische technieken, gebruik ik ook veel verschillende vormen en stijlkenmerken in deze opera. Samen vormen ze voor mij een vrijplaats, herinnerend aan de vrijplaats die Hildegards klooster zelf ook geweest moet zijn. Er zit een fuga en een vrij klassieke canon in, maar ook bijna funky grooves en vleugjes tango en blues. En zeer vaak terugkerend zijn allerlei klok- en belpatronen, onder andere als leitmotiv voor haar visioenen; dezelfde klokken die ze op een gegeven moment als straf niet meer mocht luiden. Symbolisch voor Hildegards vrijgevochten karakter loopt zij in de opera stilistisch vaak voor de troepen uit, en is er voor haar ook een vrije, improviserende rol. Met de verhaalontwikkeling van de opera worden de muzikale invloeden trouwens steeds eigentijdser: begint de opera - als Hildegard zich nog los moet vechten - nog met een passage renaissance en barok, aan het eind – als Hildegard grote smart ervaart - vieren de bitonaliteit en Sprechgesang hoogtij en wordt op momenten zelfs onze westerse intonatie losgelaten.’

Door de ogen van Hildegard

‘Ik wil deze woorden over de muziek nog aanvullen met een voor mijzelf ontroerend momentje waarop ik heel even door de ogen van de twaalfde-eeuwse Hildegard mocht kijken. Ik keek in het libretto naar de vertaling van haar tekst: het moment waarop de duivel wordt vastgepakt en vastgebonden, gevolgd door grote vreugde. Ik had in mijn aantekeningen al geschreven: ‘Hier moet een omslagmoment zijn’, doelend op mijn toekomstige bewerking van Hildegards passage. Toen ik vervolgens haar eigen noten erbij haalde, zag ik dat ze precies op dat moment voor het eerst een andere toonladder gebruikt! Na een uur alleen dorische, aeolische en phrygische ladders komt dan voor het eerst de stralende ionische ladder tevoorschijn. Een prachtig emotioneel moment van bevrijding, dat de gewenste omslag al volledig in zich herbergde.’

De musici

‘Ik wil dit stuk besluiten met mijn dank aan de musici, die me elk door hun eigen muzikaliteit geïnspireerd hebben tot dit werk. Het is dankzij hen dat dit werk de door mij gewenste veelkleurigheid krijgt!’